In het vorige hoofdstuk werd besproken hoe de adolescentie een periode is waarin een jong mens moet kunnen oefenen in het loskomen uit afhankelijkheidsrelaties en kunnen oefenen in
autonomie
. Hij of zij wordt een ‘eigen persoonlijkheid’. Maar wie zijn eigen boontjes moet kunnen doppen, moet zelf iemand zijn. Iemand wiens eigen manieren van doen, de normen die hij daarbij hanteert en de emotionele toon van zijn reacties een min of meer vast patroon vormen. Pas dan is hij voor zichzelf voorspelbaar en hanteerbaar en voor anderen voorspelbaar en kenbaar. De in het derde hoofdstuk besproken theorieën over de adolescentie hebben dan ook niet alleen met elkaar gemeen dat zij aan het bereiken van autonomie een centrale plaats toekennen, zij hechten elk vanuit een eigen gezichtshoek ook veel belang aan de persoonlijkheidsontwikkeling in de adolescentie.